De architect wordt bedankt

De architect wordt bedankt……

Als beheerder van een appartementencomplex wordt je al heel snel geconfronteerd met de functionaliteiten en het ontwerp van een appartementencomplex en dus met het creatieve resultaat van de architect. In mijn praktijk anno 2010 komt het voor dat een glasbewassing installatie gewoon is vergeten, een lift op de begane grond bijna onvindbaar is en ongeschikt is voor een brancard en balkons allemaal op het noorden zijn gericht. De opleverlijsten van de algemene ruimten van nieuw opgeleverde appartementencomplexen zijn vaak een aanklacht tegen de ontwerper en de bouwer nog afgezien van het feit dat oplossingen vaak heel moeizaam worden bereikt. Aangezien tegenwoordig ook het toezicht op de bouw door de architect tot een minimum is beperkt is ook hier sprake van een zekere vervreemding van de ontwerper ten opzichte van het woongebouw.

De architectenwereld is nog steeds een gesloten commune die rotsvast overtuigd is van eigen kennis en kunde. Het is niet zozeer de modernistische creativiteit van de architect die ons parten speelt als wel het feit dat de architect de uiteindelijke gebruiker niet serieus neemt. De klantgerichte architectuur richt zich voornamelijk op de opdrachtgever [die betaald namelijk] en dat is een projectontwikkelaar die weer heel ver verwijderd is van de toekomstige appartement eigenaar.

 Het idee dat de ontwerper [de architect dus] autonoom is en zich helemaal niets van de gebruiker moet aantrekken heeft de Nederlandse architectuur volgens veel critici danig verziekt. Volgens bouwdeskundige Lenny Vulperhorst is het oude business model van voor de crisis nog gebaseerd op het principe van “blindeman” omdat het blind is voor de gebruiker c.q. de appartement eigenaar. Het nieuwe business model noemt hij “Coproducent” namelijk het samen bouwen met de [toekomstige] gebruiker.

Maar hoe kunnen architecten in gesprek komen met appartement eigenaars die er feitelijk nog niet zijn hoor ik ze zeggen. Tja, dat is nu precies de structurele en impertinente ontkenning van de werkelijkheid omdat in de genen van de architect het klantgericht, flexibel en duurzaam bouwen een vanzelfsprekendheid zou moeten zijn.  Architecten zouden meer aandacht moeten hebben voor een Cartesiaanse methode van werken ofwel meer onderzoek doen om tot een bepaalde kennis te komen en in dit verband de klantbehoeften.

Minder dogmatisch modernisme en een minder autonome rol van de architect zou kunnen leiden tot een meer vraag gestuurde architectuur die het wonen kwalitatief in veel opzichten kan verbeteren. 

Misschien is de crisis wel een keerpunt voor Nederlandse architecten vooral omdat woonconsumenten zich steeds meer kritisch zullen opstellen naar alle partijen in het bouwproces. Het is de architect die zijn visitekaartje blijvend achterlaat en wiens naam met een koude of warme douche nog jaren lang zal worden bewierookt. De imago schade die de Nederlandse architectuur de laatste decennia heeft opgelopen krijgt hopelijk een oorverdovende ommkeer.